De Beurs van Berlage is gebouwd van 1898 - 1903 onder leiding van architect H.P. Berlage. Ze werd gebouwd als vervanging van de neoclassicistische Beurs van Zocher, die op de plek stond waar nu De Bijenkorf staat.
De ontstaansgeschiedenis van de Beurs van Berlage bestrijkt een periode van ongeveer 15 jaar. Het was een periode van meerdere prijsvragen, uitgeschreven door de Gemeente Amsterdam, waaraan Berlage vanaf het begin in meegestreden heeft. Zijn eerste ontwerpen pasten in de voor die tijd gangbare neostijlen. Vol van krullen en weelderige decoratie, vergelijkbaar met het bijvoorbeeld het Centraal Station van Cuypers en de Stadsschouwburg.
Het uiteindelijke winnende en gerealiseerde ontwerp vormde een totale stijlbreuk. De reacties in de stad en in de pers logen er dan ook niet om. De algemene teneur ten aanzien van de sobere, functionele vormgeving was bepaald niet positief.
Tegenwoordig echter wordt het gebouw door velen als richtinggevend voor de 20e eeuw beschouwd, en Berlage als vader van de Nederlandse moderne architectuur. De Beurs was een inspiratiebron voor de beroemde Amsterdams School en voor architecten als J.P. Oud, Rietveld, Dudok en zelfs Mies van der Rohe.
De Beurs van Berlage is een echt "gesamtkunstwerk", waarbij architectuur gecombineerd wordt met schilderkunst, beeldhouwwerk en dichtkunst. Berlage werkte hierin samen met Albert Verwey, Jan Toorop, Richard Roland Holst, Lambertus Zijl, Antoon Derkinderen en Joseph Mendes da Costa.
Deze kunstenaars hadden idealistische, vooruitstrevende denkbeelden over de inrichting van de maatschappij. Hun vroege socialisme komt ook tot uiting in het ontwerp van de Beurs: tegeltableaus over de uitbuiting van de arbeiders en de emancipatie van de vrouw, en dichtregels over de beperkingen van de markt, speculatie en de zucht naar geld.
Maar boven alles de architectuur van Berlage: Het sobere, stoere exterieur en de massa aan bakstenen staan symbool voor de arbeiders en het volk, onder het motto "eenheid in veelheid". Volgens Berlage was één baksteen (lees: het individu) nietig, maar een gebouw (lees: de maatschappij, het volk) een macht.
U kunt zich wel voorstellen dat niet alle beurshandelaren zich konden vinden in Berlage's idealistische ontwerp.
Toen Berlage gevraagd werd naar de tegenstelling tussen de kapitalistische functie en socialistische symboliek van zijn gebouw, antwoordde hij dat hij anticipeerde op een omwenteling in de maatschappij, waarbij er een einde aan het kapitalisme en een einde aan de beurs zou komen. Zijn Beurs zou dan een volkspaleis worden, waarin kunst, economie en maatschappij tezamen zouden komen.
Nu kunnen we stellen dat Berlage's visioen is uitgekomen; In 1985 verliet de Assurantiebeurs en in 1987 de Optiebeurs als laatste financiële instellingen het gebouw. Sindsdien is het gebouw een waar "Palazzo Publico" geworden. Concerten, tentoonstellingen, congressen, evenementen, lezingen en manifestaties maken nu de dienst uit.